Hof adviseert over onafhankelijkheidsverklaring Kosovo

Op 21 juli van dit haar gaf het Hof een advies aan de Algemene Vergadering van de VN over de eenzijdige verklaring van onafhankelijkheid door Kosovo. Het Hof beantwoordde de vraag of de verklaring in overeenstemming is met internationaal recht.

Het Hof benadrukt de beperkte strekking van de vraag en onderstreept dat niet wordt gevraagd naar de rechtsgevolgen van de verklaring. Evenmin wordt gevraagd naar de betekenis en de juridische gevolgen van erkenning van Kosovo door 69 landen (waaronder Nederland).

Nadat het Hof heeft vastgesteld dat zij bevoegd is deze vraag te beantwoorden, onderzoekt het de omstandigheden die hebben geleid tot de eenzijdige verklaring. Daarbij is van bijzonder belang dat vertegenwoordigers van Servië en Kosovo onder leiding van de speciale VN gezant, Martti Ahtisaari, langdurig maar zonder succes over de toekomstige status van Kosovo hebben gesproken. De gesprekken waren zo uitzichtloos dat de Ahtisaari in maart 2007 onafhankelijk van Kosovo adviseerde als de enige houdbare optie. Tussen 9 augustus en 3 december 2007 poogde the ‘Troika’, samengesteld uit de VS, EU en Rusland, de onderhandelingen vlot te trekken, eveneens zonder succes. Op 17 februari 2008 riep de voorlopige regering de onafhankelijk uit.

Het Hof behandelt de vraag over de rechtmatigheid in twee fasen.

In de eerste fase ziet het Hof geen regel van algemeen volkenrecht die het uitroepen van onafhankelijkheid verbiedt. In dit verband verwerpt het Hof twee argumenten die een verbod zou rechtvaardigen. Het argument dat het uitroepen van onafhankelijkheid de territoriale integriteit van een land (in dit geval Servië) aantast kan geen stand houden omdat de verplichting om territoriale integriteit te beschermen uitsluitend rust op staten. Omdat Kosovo (nog) geen staat is kan het die verplichting niet schenden. Het tweede argument verwijst naar de praktijk van de Veiligheidsraad die eerdere onafhankelijksverklaringen van Noord-Cyprus, Zuid-Rhodesië en Republika Srpska, heeft verworpen. Ook dit argument houdt geen stand, zo meent het Hof, omdat deze verklaringen zijn gedaan ‘connected with the unlawful use of force or other egregious (flagrante ED) violations of norms of general international law, in particular those of a peremptory character (jus cogens). Kennelijk is dit niet het geval geweest bij de onafhankelijkheidverklaring van Kosovo.

In de tweede fase beantwoordt het Hof de vraag in het licht van Veiligheidsraadsresolutie 1244 (1999) en het constitutionele raamwerk dat de resolutie creëert. Resolutie 1244 is verbindend voor alle leden van de VN en bevestigt de ‘principles of sovereignty and territorial integrity of the Federal Republic of Yugoslavia’. De resolutie creëert ook een VN-bestuur voor Kosovo (UMMIK) dat zich bezighoudt met bestuur, humanitaire kwesties, institutionele zaken en herstel. UNMIK oefenende het hoogste gezag in Kosovo uit.

Het Hof ziet geen schending van resolutie 1244 omdat de onafhankelijkheid is niet is uitgeroepen door een orgaan dat deel uitmaakt van het constitutionele raamwerk, maar door een groep van politieke leiders die op persoonlijke titel handelden. Daarnaast biedt resolutie 1244 slechts een tijdelijk regeling ‘pending a political settlement’. Het uitroepen van onafhankelijkheid is niet meer dat het begin van een ‘political settlement. Tenslotte stelt het Hof vast dat resolutie 1244 niet uitdrukkelijk het uitroepen van onafhankelijkheid verbiedt, zoals bijvoorbeeld wel het geval was bij Noord-Cyprus.

Commentaar
Het Hof heeft geadviseerd over slechts één vraag. Het advies gaat in op het uitroepen van onafhankelijkheid en zegt niets over de vraag of Kosovo terecht soevereiniteit heeft gekregen. Evenmin bespreekt het Hof de rechtmatigheid van de erkenning van onafhankelijkheid. De geringe reikwijdte van het advies wordt niet altijd door de media begrepen. Het Hof gaat ook niet in op de vraag of Kosovo een recht op zelfbeschikking heeft en of dat recht ook geldt buiten de context van kolonisatie. Het Hof stelt dat deze kwesties buiten de vraagstelling vallen.

Weinig verassend is de conclusie van het Hof dat het uitroepen van onafhankelijkheid door de politieke leiders van Kosovo niet onrechtmatig is. Waarschijnlijk is het uitroepen van onafhankelijkheid door de politieke leiders van Koerdistan, Baskenland of Friesland evenmin in strijd met internationaal recht. Politieke leiders mogen van alles roepen zonder dat het internationale recht daar over oordeelt. Dat laat onverlet of een claim op soevereiniteit is strijd is met het recht van Turkije, Spanje of Nederland.

Veel interessanter is de vraag of de erkenning van de soevereiniteit van Kosovo in strijd is internationaal recht. Zou erkenning bijvoorbeeld in strijd zijn met het recht op territoriale integriteit van Servië, zoals bevestigd in resolutie 1244? Waarschijnlijk kan geen meerderheid in de Algemene Vergadering worden gevonden voor een dergelijke vraag omdat veel regeringen een uitspraak van het Hof hieromtrent onwenselijk vinden.

Het Hof laat in het midden of de bevolking van Kosovo een ‘people’ is dat zelfbeschikkingsrecht heeft laat. Opvallend is wel dat het Hof spreekt over de ‘population of Kosovo’, daarmee impliciet aangevend dat een recht op zelfbeschikking geenszins vanzelfsprekend is. Het recht op zelfbeschikking komt slecht toe aan ‘peoples’ en niet, bijvoorbeeld, aan minderheden.

Nederland heeft op 4 maart 2008 Kosovo erkend met een beroep op het zelfbeschikkingsrecht van het Kosovaarse volk. In een brief aan het parlement wordt onomwonden gesteld dat Kosovo het recht op zelfbeschikking toekomt.