Nucleair Iran en de rechtvaardige oorlog
Wednesday, 03 November 2010 14:08
Sinds 2006 is er internationaal onduidelijkheid ontstaan over het wel of niet ontwikkelen van een kernwapen door Iran. Sinds 2006 hebben de inspecteurs van het Internationale Atoomenergie Agentschap, naar eigen zeggen niet meer kunnen uitsluiten dat het nucleaire programma van Iran gebruikt wordt voor het ontwikkelen van een atoomwapen. Afgezien van de dreiging die van de ontwikkeling van een eventueel kernwapen uitgaat, is de ontwikkeling van een kernwapen door Iran ook onrechtmatig binnen het huidige internationale systeem. Welke verdragen zijn van toepassing bij het ontwikkelen van een kernprogramma? En hoe komt het dat de internationale spanning zo hoog is opgelopen met betrekking tot Iran?Het belangrijkste verdrag omtrent de ontwikkeling van kernwapens is het Non Proliferatie Verdrag (NPV). Dit verdrag stamt uit 1970 en werd geratificeerd in de internationale context van de Koude Oorlog. Het belangrijkste doel van dit verdrag is om verspreiding van nucleaire wapens te voorkomen als ook om de ontwikkeling van nieuwe wapens tegen te gaan. Het verdrag is opgetekend naar aanleiding van unanieme resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (resolutie 1665 en 2625 XXV), waaruit blijkt dat alle lidstaten het erover eens waren dat het aantal kernwapens wereldwijd verminderd moest worden en dat er wetgeving nodig was om dit te realiseren. Door de brede wereldwijde steun wordt het verdrag beschouwd als internationaal gewoonterecht, en bindend voor alle Staten (tenzij vanaf het begin verworpen). Artikelen I en II vormen de kern van het NPV. In deze bepalingen wordt de verspreiding van kernwapens verboden alsmede de ontwikkeling ervan. Daar staat tegenover het soevereine recht van alle Staten om kernenergie op te wekken voor vreedzaam gebruik (artikelen IV en V NPV). Om ervoor te zorgen dat de regels van het verdrag nageleefd worden, is het Internationaal Atoom Energieagentschap (IAEA) opgericht (onder artikel III van het NPV), dat toezicht houdt op de kernprogramma’s van alle lidstaten. Dit agentschap rapporteert, bij vermeende overtreding van het verdrag, aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
De veronderstelde overtreding van de twee belangrijkste artikelen van dit verdrag door Iran, heeft gezorgd voor de internationale spanning rondom het kernprogramma van dit land. Iran is lid van het NPV sinds het begin en mag volgens artikel II geen kernwapens ontwikkelen, aangezien het bij de inwerkingtreding van het verdrag geen kernwapens bezat. Door onduidelijkheid te creëren rondom zijn kernprogramma, door onder andere geen IAEA inspecteurs toe te laten tot bepaalde onderdelen, haalde Teheran eerst sancties van het IAEA en uiteindelijk ook van de Veiligheidsraad op de nek. Deze sancties waren in principe terecht, aangezien Iran verplicht is controle op zijn volledige kernprogramma toe te staan (artikel III). Aan de andere kant is tot nu toe nooit bewezen dat Iran daadwerkelijk bezig is met de ontwikkeling van een kernwapen. Gezien de spanningen in het Midden Oosten en de huidige wereldwijde bezorgdheid rondom massavernietigingswapens, zijn het grotendeels politieke overwegingen die de onrust rondom het Iraanse kernprogramma hebben veroorzaakt.
Het zijn met name de overwegingen van de regering in Jerusalem die de internationale onrust voeden. Israël, door haar rol in het Midden-Oostenconflict, vreest het primaire doelwit te zijn van een eventueel nucleair Iran. Door de traditioneel sterke connectie tussen de regeringen van Jerusalem en Washington, wordt de bezorgdheid van Israël over vermeende atoomwapens in Iran door de regering van de Verenigde Staten (VS) naar het internationale platform getild als prioriteit nummer één. Waardoor de vrees van één land wordt uitgebreid naar een vrees voor ieder land; ieder land wordt minder veilig zodra Iran een atoomwapen ontwikkelt.
Een vergelijking kan getrokken worden met de situatie rondom de nucleaire situatie in Noord Korea. Dit land claimt een kernbom te bezitten en ook zijn inspecteurs van het IAEA niet meer welkom. Sterker nog; Noord Korea heeft zich zelfs teruggetrokken uit het NPV. Ook rondom Noord Korea bestaan spanningen en heeft de Veiligheidsraad voornamelijk economische sancties doorgevoerd. Echter, de situatie met betrekking tot Noord Korea krijgt minder aandacht en wordt in internationaal verband minder op de spits gedreven dan de situatie met betrekking tot Iran. Terwijl Noord Korea verder gaat in de overtreding van het internationaal recht dan Iran en ook werkelijk een atoomwapen bezit. Met andere woorden, het kernprogramma van Iran wordt beschouwd als bedreigender voor de internationale vrede dan het kernprogramma van Noord Korea.
Uit deze vergelijking kan men afleiden dat de mate van bedreiging van de vrede voortkomend uit de weigering van controle op het nucleair programma, per Staat kan verschillen. Wat belangrijk is in de perceptie van de dreiging is de positie van de Staat, die de controle weigert, op het internationale toneel. Iran wordt, zeker na 9/11, als Islamitische Staat met een uitgesproken mening over het Midden-Oostenconflict en bondgenoot van de Palestijnen met meer wantrouwen bekeken. Bovendien, als traditionele tegenstander van de Staat Israël, dat nauwe banden onderhoudt met onder andere een politiek belangrijk land als de Verenigde Staten, heeft Iran een sterke tegenstander die op internationaal niveau onrust over Iran kan veroorzaken.
Noord Korea, daarentegen, als één van de laatste communistisch gesloten enclaves, heeft weinig bondgenoten en wordt omringt door grootmachten als Rusland en China. Beide grootmachten lijken zich niet zoveel zorgen te maken over Noord Korea, en proberen de onrust rondom Noord Korea eerder te sussen dan aan te wakkeren. Het tegenovergestelde van wat Israël en de VS doen omtrent Iran. En hoewel de pogingen om Noord Korea weer toe te laten treden tot het NPV onverminderd doorgaan, wordt ook door Rusland en China meer aandacht besteed aan de eventuele dreiging van een nucleair Iran.
Er is wel consensus tussen Staten dat de overtreding van de internationale wetgeving voortkomend uit het NPV en het controlerende orgaan, de IAEA, wordt gezien als een bedreiging van de internationale vrede. De mate van die dreiging en hoe een Staat wordt gesanctioneerd, hangt echter af van de positie van de desbetreffende Staat op het internationale toneel. De dreiging van Iran, een land tot op heden zónder aantoonbare kernbom, wordt als groter beschouwd en zwaarder gesanctioneerd dan Noord Korea, een land mét aantoonbare kernbom. Louter omdat Iran meer wordt gewantrouwd binnen de internationale gemeenschap, in dit geval onder leiding van Israël en de VS.
We hebben het sanctioneren van de dreiging van eventuele massavernietigingswapens al eerder mogen aanschouwen met betrekking tot Irak. En zoals ook Jeffrey Goldberg verwoordt in zijn artikel in The Atlantic, ‘The Point of No Return’, zou het heel goed kunnen dat de VS en haar eventuele bondgenoten binnenkort ten strijden trekken tegen deze dreiging van de vermeende massavernietigingswapens in Iran.

